Tentoonstelling

Interview met Tom Woestenborghs

Straks opent in Rotterdam de expo van Tom Woestenborghs. Kunstjournalist Hilde Van Canneyt praatte met hem op de vooravond van de opening over zijn voorbije en nieuwe werk. Ze volgde zijn carrière op de voet. “Het moet gezegd: het blijft swingen!”

Beste Tom, ons laatste interview dateert van 2010 – nog altijd te lezen op mijn blog trouwens. Ondertussen bleef ik je carrière op de voet volgen. Het moet gezegd: het blijft swingen!

Ik ben dan ook hard blijven doorwerken! (knipoogt)

Je liefde voor het beeld komt vanuit het lezen van stripverhalen…

Ik denk dat dit eerder een romantische reflectie was, omdat ik veel stripboeken las. Ik ging schilderkunst studeren vanuit een naïef idee. De striptekenaar die ik goed vond, had die schilderkunstopleiding gevolgd, dus ik dacht: laat ik het dan meteen goed leren. Maar als de kunstwereld daarna voor je open gaat, besef je dat deze veel rijker en interessanter is.

Je eerste stappen op je achttiende waren zelfportretten. Je hield je op het doek eveneens graag bezig met non-onderwerpen, alsook was je geïnspireerd door de collage-achtige schildersdoeken van David Salle. Niet veel later verschoof je interesse naar 3D-werken en al snel kwamen daar video-installaties aan te pas, in die zin dat je camera’s in je maquettes plaatste. Je kan zeggen dat je ook toen al met een soort voyeurisme bezig was, iets wat in je huidige werk nog altijd aanwezig is.

Laten we het een ‘beschouwing’ noemen.

Onderwijl passeerde je het HISK – Hoger Instituut voor Schone Kunsten – maar na acht jaar installaties maken had je het wel gehad en keerde je terug naar 2D-collages, zelfs zwart-wit: even terug naar de basis. En zo geschiedde, want tot op vandaag ben je bekend om je kleurrijke collagebeelden. Kan je even je specifieke techniek toelichten?

Op zich maak ik collages, omdat er geknipt, gesneden en geplakt wordt, maar onderzoeksmatig en conceptueel is dat voor mij schilderkunst. Het zijn transparante lagen zelfklevend plastic folie over elkaar die een soort toon en kleur creëren. Best vergelijkbaar met transparant geschilderd acrylverf.

Acrylverf?

Omdat je met die harde snijding zit. Olieverf heeft de magie van de zachte overgangen en de vervloeiingen, en dat heeft acrylic veel minder, het is veel harder en droger. Zachte overgangen zijn sowieso altijd optische illusies. Ik kan die nooit effectief maken. Ik moet met mijn techniek al een truc voor die optische illusie bedenken om dat klaar te spelen.

Je bent bekend om je snedige teksten en titels op of naast het werk. Kan ik het zo uitdrukken dat tekst tien procent van het resultaat uitmaakt?

Uiteindelijk wel, omdat ik per reeks vrij thematisch werk. Het is altijd een onderzoek naar een bepaald facet. Soms politiek, maar vooral sociaal beschouwend. Vanaf het moment dat iets me fascineert, begin ik dat op een gegeven moment uit te benen. Qua titels: deze sturen natuurlijk het kijken van de kijker. Je probeert een wereld of verhaal te creëren dat je teruggeeft aan de toeschouwer. Ik denk dat dit iets is dat nogal meespeelt. Ik observeer, analyseer en representeer dit. Je kan volgens mij als kunstenaar maar best met je twee voeten in de samenleving staan en daarmee omgaan.

Kunstenaars waar je vroeger mee dweepte waren Jeff Wall, Eric Fischl, Roman Signer… Was dat vooral op het gebied van beeldtaal of eerder inhoudelijk?

Die enscenering van het moment, dat je ook bij Wall vindt, is bij mij hard aanwezig. Ik werk ten eerste altijd met levende modellen, mensen uit mijn buurt. Je hebt een beeld voor ogen en daar zoek je de juiste persoon bij. Om te beginnen typecast je dat en ga je op zoek naar een scène en handeling van dat model dat je eigen denken het best transformeert. Dat evolueert natuurlijk wel op het moment dat je dit overbrengt, maar je hebt wel een gevoel dat je wil bestendigen.

Jij bent niet de typische ik-maak-eerst-een-schets-kunstenaar.

95% van de beelden die ik construeer, fotografeerde ik eerst zelf. Zo bouw ik letterlijk mijn beelden op met fotografie. Mijn schetsen vervaardig ik in feite op mijn computer.

Je modellen representeren telkens iemand…

Het zijn steevast modellen die ik ken, soms close, soms van iets verder. Ik begin altijd met een motivatiebrief waarin ik schrijf waarom ik hen in gedachten heb, wat het beeld is dat ik in mijn denkbeeld heb en hoe ik het op dat moment zie. Ik waarschuw hen ook dat zo’n beeld publiek kan worden. Dan is het aan hen om erin mee te gaan of niet. Met de jaren laat ik het model ook meer en meer vrij op de manier waarop ze zich representeren.

Hoop je dan dat de kijker zich herkent in het model dat je afbeeldt? Want het is meestal niet het klassieke beeld dat je toont, alsook niet de klassieke ‘schoonheid’.

Ik heb meer liefde voor de hedendaagse afbeelding van het model dan voor het schoonheidsideaal. Het gaat me meer om menselijkheid dan om het grote gebaar.

Je hebt een groot atelier in Hoogstraten, waar je zowel een werk- als toonruimte hebt. Je bent bekend als controlefreak, maar is er in de uitgekiende voorbereiding ook plaats voor het toeval?

Zeker. Ook in de conceptualisatie van het beeld. Als ik zie dat een idee ruimte heeft om te groeien, zal ik er niet slaafs aan zijn.

Wanneer voel je de meeste creatieve kriebels? Aan de computer of als je in je atelier het fysieke deel van het kunstwerk ‘uitvoert’?

Dat zijn twee aparte dingen. Het meest ‘creërende’ in de zin van: ‘Wat is een beeld? Wat verwacht ik daarvan? Wat moet erin zitten? Hoe staat het in relatie tot de andere beelden van die reeks? Hoe drijft dat het narratief van die serie het beste? Etc. Dat is een stuk creatie die aan de computer gebeurt, terwijl het plastische natuurlijk handmatig in het momentum zelf plaatsvindt. Daar laat ik wel ruimte genoeg om het beeld dat ik voor ogen had te overtreffen. Eens de basisvormen erop staan, is dat zoals elke schilder die in dialoog gaat met dat beeld en waar alleen het beeld nog telt.

Waarom geen verf? Wat is zo verslavend aan die techniek die je blijft hanteren?

Wel, je begint daarmee en ontwikkelt voor een deel zélf je métier. Ik heb geen voorbeelden gehad. Je wordt er beter en beter in en voor je het weet ben je een betere ‘snijder’ dan dat je een schilder bent. Het nadeel is: er zijn geen zachte overgangen of nuances – hoewel ik daar met de jaren beter in ben geworden – maar de helderheid van je materialen is heel mooi. Intussen laat ik folies maken en printen, kies ik zelf de kleur en lichtdichtheid. Dat professionaliseert met de jaren meer en meer. Ik werk ook vaak met lichtbakken, wat eveneens een voordeel geeft. En ik heb voor de duidelijkheid niks tegen verf, het is gewoon niet mijn métier. Al gebruik ik net dezelfde conventies als een schilder.

Jij zit met dezelfde zelftwijfel voor je ‘plastic canvas’ als een schilder, als ik het zo opmerk…

Natuurlijk! Het harde labeur van het creëren van een beeld is voor elke kunstenaar of schilder hetzelfde.

Ben je al eens van het padje af gegaan? Soms heb je bijvoorbeeld schilders die plots in 3D werken of een totaal andere weg inslaan.

TW Soms gebeurt dat weleens. (grijnst) Denk maar aan mijn vazen. Dat zie ik als een zijsprong. Al bewaarde ik dezelfde materialiteit. Ik heb een verleden als installatiekunstenaar, in 3D werken was me niet vreemd. Ik ben sowieso niet ontvankelijk voor verwachtingspatronen.

Elke kunstenaar krijgt graag applaus, me dunkt. En krijg je geen erkenning voor een reeks, is er dan toch een kansje dat je er de volgende keer een andere draai aan geeft?

TW Handgeklap is fijn, versta me niet verkeerd, maar ik ben nogal koppig op dat gebied!

Als je naakten ‘het niet goed deden’, bleef je die toch niet maken? Alhoewel, saai zal dat niet zijn in het atelier. (knipoogt)

Dat is een misvatting! Zoveel naakten creëer ik niet, hoor. Ik construeerde natuurlijk de reeks Artistic midlife crisis of a storyteller. Nudes, abstracts and some flowers. Maar dat ging over klassiek vormonderzoek, en dan kom je al snel bij naakten terecht. Al heb ik geen gas teruggenomen. Het was full on. (knipoogt) Sinds die reeks denk ik niet dat ik een volledig naakt afbeeldde, of toch geen ongeconnoteerd naakt.

Ontkennen dat je graag pikante beelden maakt, heeft geen zin Tom Woestenborghs!

(lacht)

Je oeuvre straalt sowieso iets erotisch uit.

Als je werk vooral over menselijke interacties gaat, en over bijna een diepmenselijk antropologisch onderzoek, is dit niet weg te denken. Ik heb evengoed werk over sportprestaties, wat evenzeer over het lichaam en zelfs uiterlijke schoonheid gaat.

Wat is het pittigste kunstwerk dat je ooit maakte? Of waar je de kranigste feedback op kreeg?

Ik denk dat ik elk kunstwerk opnieuw zou maken. Al is er op die reeks naakten wel tegenreactie gekomen. Er was nadien nogal wat commentaar online. Wat me opviel is dat oudere vrouwen wél achter die serie stonden. Ze hadden als argument dat de vrouwen die ik afbeeldde, zelfbewuste krachtige personages waren die zélf het heft in handen namen. Veelal hadden de modellen hun eigen positie voor de lens gekozen, en dat werd geapprecieerd.

Wat is voor jou precies ‘kunst maken’? Waarom blijf je die beelden ontwikkelen?

Je hebt natuurlijk die drive om te creëren, waar je weinig controle over hebt. Wat op het randje dwangmatig is. Het zijn gewoon dingen die je intrigeren die je op beeld wil zetten.

Interview met Tom Woestenborghs
Tom Woestenborghs. Overturned Snow white. x-film op formica  

In vroeger werk kwam meer actualiteit naar boven. Klopt dat? Er was meer kritiek op maatschappij en politiek. Ook deze beelden werden soms verkeerd begrepen en moest je counteren met tekst of een titel.

Absoluut. Laat ik een voorbeeld geven van sociaal beschouwend en politiek werk dat zacht binnenkomt, een werk van 2020: Overturned snow white. In de hoofdreeks We’re just obvious, zie je de representatie van Sneeuwwitje als een soort kritisch tegenbeeld van het verwachtingspatroon. Ik stel meestal échte mensen tentoon, en die zijn veelal verre van het zogenaamde ‘perfect’. Ik zet haar daar als knipoog tegen. Later kwam Overturned Snow White erbij. Dit was in navolging van het Me-too gegeven. Ik duw Sneeuwwitje letterlijk van haar sokkel.

Interview met Tom Woestenborghs
Tom Woestenborghs. Portrait of the artist as a, somewhat anxious but in control, man eating an ice cream,
x-film op formica  

Soms duw je jezelf ook van je sokkel af, en beeld je jezelf met een ijsje af, bijvoorbeeld.

(lacht) Dat is inderdaad zelfrelativering. Mét humor. Ik ben natuurlijk een witte man, metro, van middenleeftijd. Ik word continu extra in vraag gesteld door de buitenwereld. Ik ben geen opgejaagd wild, maar toch. Sign of the times. Wij zijn een product van een maatschappij die ons heeft grootgebracht en het feit dat we daar bewust van zijn, is al een groot begin. Dat idee van compensatie, snap ik wel.

Ik zit vooral in het galeriecircuit, ik denk dat je daar in het curatorcircuit meer last van kunt hebben.

Welke respons krijg je meestal?

In een eerste perceptie heeft mijn werk een hoog feelgood niveau. Ik hou van de esthetiek van dat beeld. Al is de onderlaag donkerder, zelfs zwaarmoedig. Ik vind het interessant om die nuance te brengen.

De reeksen

Je werkt graag in reeksen. Staan die op voorhand vast of groeien die organisch?

Het tweede.

Home is a formal place yet loving place is de titel van je expo bij de Frank Taal Galerie in Rotterdam. We spreken lente 2017.

Representatie en zelfrepresentatie komen vaak voor in mijn werk: hoe zet je jezelf neer tegenover je medemens? Zien en gezien worden. Wat ruim genomen meespeelt in het ontstaan van die reeks, is de basisgedachte van hoe hard het formele en de gedragscodes van de buitenwereld zich ook nestelen in je privé-omgeving. Toen bijvoorbeeld Instagram opkwam, werd ook onze living als het ware publiek gemaakt. Je moet het bijna volmaakte evenwicht vinden, zoals je in de boekjes ziet. Zo ging ik dan onder andere in mijn publicatie Paradise Lost op zoek naar bepaalde driftmatigheden, de eerder agressieve daden die meestal worden onderdrukt, maar waaraan toch een plaats wordt geboden. Ik vond het interessant daar referenties aan te geven. Ik denk bijvoorbeeld aan het werk Vaas, een afbeelding van een vaas – tja – waar in de beeltenis zelf, een moeder haar dochter aan een man aanbiedt. Of Reconstructing paradise 4: mijn werk met gemuilkorfde jachthonden. Het idee van de tussenoplossing of de wederzijdse concessie. De jacht met honden mag doorgaan, maar het doden mag niet.

Maar Servant is dan weer een grapje over rollenpatronen. Of net de tegenstelling tussen verwachtingspatronen. Wat is je eigen positie daarbinnen? Dat refereert aan de achttiende-eeuwse Gainsborough, met als tegenbeeld een meisje dat zich toont op Tinder – hoe ze dénkt dat ze eruit moet zien. Ik hou van de spanning in die tweespalt.

Een volgende expo bij Frank Taal Galerie was Fools Paradise in 2018. Wat was er typerend aan die reeks?

Daar heb ik helaas geen uitgave van. Het ging me om het idee van hoe de maatschappij ons de ruimte geeft om opstandig te zijn. Hoe dat wordt gecontroleerd. Want op zich moeten we ons elke dag temperen. En an sich wordt een uitlaatklep voorzien voor die opstandigheid. Het meest banale is dan bijvoorbeeld een meisje afbeelden met een Ché Guevara t-shirt. Of zo maakte ik een werk met behangpapier met de opstand van de Potjomkin op. Een ander werk draagt de naam Transition: het is een anoniem beeld van een jongetje dat zijn eerste communie doet, waar het ijslam wordt onthoofd. Op zich een agressieve daad, maar wel met een symboolwaarde.

Interview met Tom Woestenborghs
Tom Woestenborghs. Conspiracy

Die reeks gaat bijna over politieke ‘zotten’?

Dat is een groot woord, maar dat is het inderdaad. Of toch vooral over het sociaal aanvaarde. Want op zich zijn wij een open maatschappij. En waar ligt de grens? Want alles wordt wel bepaald door de machthebbers. Wij zijn in staat een zware betoging te organiseren, zonder dat we worden neergeschoten. Ik wil er nog eentje ingooien: Conspiracy. Het is een groot werk, waar ik het borstbeeld van Brutus afgebeeld, met twee waakhonden. De boeiende tegenstelling hier is dat hij bovenal een democratisch figuur is, want hij executeert Cézar om de macht van de senaat te redden. Maar hij wordt in de overlevering voorgesteld als een verrader, niet als held. Er zat trouwens veel geweld in die reeks.

Geen verkoopbaar werk dus. (knipoogt)

Nee hoor, die werken zijn goed verkocht!

Dan kwam de onvermijdelijke midlife crisis, en deze toonde je met graagte in de Penning Foundation in Eindhoven met de reeks: Artistic midlifecrisis of a storyteller: Nudes, abstracts and some flowers. Wat typeerde die serie?

Ik werd veertig. (lacht) Omdat ik altijd thematisch en betekenisgevend bezig was, wilde ik eens loskoppelen. Wat onwaarschijnlijk moeilijk is. Want achteruitkijkend, is elk werk gelinkt, of aan de (kunst)geschiedenis, of aan de huidige maatschappij. Nog even over mijn naakten: ik presenteer geen klassieke clichématige naakten. Mijn stelling om ze te creëren is de vraag: wat is een hedendaags naakt? En de realiteit is hardvochtig. Binnenskamers, op internetsites, is dat snoeihard. In eerste instantie wilde ik ook al mijn naakten ontdoen van lieflijkheid. Ik vertrek niet vanuit het romantische beeld, wel van vrouwen die zichzelf – uit zichzelf – bewust tonen. Ik toon daarom directe, onttoverde beelden. Voor mij zijn deze thema’s natuurlijk een manier om om te gaan met een onderwerp én een excuus om naakten te onderzoeken.

Hetzelfde met die abstracten. Ik had er altijd een voorliefde voor, maar op dat punt moest ik mezelf de vraag stellen hoe deze op te lossen. In mijn eerste ‘abstract’ moest ik heel organisch zoeken naar ritmes, kleuren, etc. Ik wilde deze uit het niets kristalliseren. Maar erna moest ik toegeven dat ik het niet spannend vond om deze te maken. Ik moest een manier vinden om daarmee om te gaan, dus ging ik logischerwijs eerst naar mijn voorgangers kijken. Mijn materialen zijn al hard en scherp en mijn voorkeur gaat al naar geometrische abstractie, dus dat is een mooie kruisbestuiving. En dan is het uitzoeken hoe aan bronnenmateriaal te komen om tot een sterk abstract beeld te komen. Dan kom ik toch altijd bij die realiteit uit. Zo creëerde ik abstracten rond steen-verbanden, of over het tributewerk van Daan van Golden. Zo onderzoek en maak ik vormverbanden van mijn eigen hang naar materialiteit. En ik reageer heel luchtig, of zelfs vals. In Abstract composition 6 geef ik een dikke knipoog naar arte povera: ik werkte met ‘vals’ goud- en marmerfolie, an sich de grootste leugen denkbaar. In feite misbruik ik de conventies van dat tijdvak om een nieuw beeld te creëren. Elke arte povera artist zou mij op de brandstapel willen! (lacht) Ik vind het fijn om met die codes te spelen.

Interview met Tom Woestenborghs
Tom Woestenborghs | Stolen Flowers nr 1, diasec print

En de bloemekes?

Dat was zonder enige twijfel de moeilijkste oefening. Bloemen representeren, krijgen al snel iets leeg en banaal. Uiteindelijk leek mij de beste manier, bloemen te ‘stelen’. Ik liet me meestal leiden door bloempatronen die ik in het dagelijkse leven tegenkwam. Ik hanteerde daarvoor ook de voor de hand liggende titel: Stolen Flowers.

Jij hebt écht die innerlijke voeding tijdens het maken nodig, of anders verveel je je, merk ik. Laten we naar je reeks Little narrations gaan, die je toonde bij de Anouk Vilain Art Gallery in Diepenbeek. Daar hoorde ook een uitgave bij. We spreken begin 2020.

(Leest trots luidop zijn zelfgeschreven inleiding voor) Over het werk Fishtank: ik vond dat een goede samenvattende representatie voor de rest van die beelden. Het zijn personages die alleen en geïsoleerd zijn binnen hun eigen habitat. Bijna alsof je naar een visbokaal kijkt. (al bladerend in zijn uitgave) Wat zie ik nog? Een mooi zelfportret van mezelf. (lacht) Een vrouw – mijn vrouw – die haar netkousen aantrekt. (knipoogt) Er is ook nog een meer autobiografisch zelfportret, bewust naar beneden (uit)gesneden. Als achtergrond zie je space invaders op het behangpapier. Titel: Het jongetje wist duidelijk dat hij het uiterlijk van een man moet behouden. Ook sporters zijn geïsoleerd, die zitten er eveneens bij. Er zit maar één naakt bij. Maar ze is geblesseerd, ze staat op krukken.

In februari 2021, in f*king lockdown, kreeg je een expo in CAPS te Oostende. Vanwaar de titel Grounded Pulsation?

Het is een woordspelletje over huisarrest. Ik toonde een collage van verschillende reeksen. Een schoon lichtmomentje in surrealistische tijden. (lacht)

Interview met Tom Woestenborghs

Laten we nog wat expo’s prikken: een jaar later bloeide A stand still, terug bij de Rotterdamse Frank Taal Galerie.

Hier toonde ik na-lockdown-werk. Het idee van deze verzameling is: mensen maken zich klaar voor een feest. Je kent die adrenaline wel. Maar de reeks beschouwt net het moment dat je al die adrenaline hebt: je bent klaar, maar je lift is er bijvoorbeeld nog niet. Dan ga je in je zetel zitten, (ver)wachten, en de adrenaline verdwijnt, waardoor de twijfel soms toeslaat. Dat is op zich symptomatisch voor onze maatschappij in zijn geheel: we zijn altijd op zoek naar weer die volgende ‘high’. Het dubbelportret Wouter en Nicole bijvoorbeeld: je ziet een koppel dat zich klaarmaakt. Dit werk bestaat uit vijf beelden: twee kleine abstracten, twee middenformaat intimistische beelden waarop ze zich ‘klaarmaken’ en daarna krijg je ze al talmend te zien in een groot werk, waar de verveling duidelijk toeslaat. Bij het werk Ruth, komt zelfs de poes even kijken, daar zie je eveneens de verstrooiing in dat wachten. In heel de uitgave werk ik met de voornamen, omdat de reeks hier effectief over mensen gaat. Ik zie het bijna als statie- of society portretten.

Interview met Tom Woestenborghs
Findings at the end of the rainbow

De zomerexpo Formality was in 2023 een hit in de Antwerpse Art Gallery De Wael 15. Ook hier hoort een publicatie bij.

Deze reeks ontstond uit iets heel simpels. Ik had dezelfde voorwaarden genomen als Little narrations. Het specifieke was: ze waren allemaal horizontaal, 60 op 80 cm als kader, het werk was 40 op 50 cm. Ik had zin een kleine ontspannen serie te maken, maar ze is een eigen leven gaan leiden. Het gaat over hoe het kader zich in relatie stelt tegenover het beeld en waar het kader op den duur meespeelde. (bladert door zijn publicatie) Dit knalroze werk met een dame in lingerie, zit in een grote roze kader. Een ander voorbeeld: Pillow talk. Een zittende vrouw met als achtergrond een roccocowerk met een kussengevecht. Maar het kader volgt het patroon van haar Arafatsjaal. Of Dot painting: de dotjes op de onderbroek van de vrouw, lopen door op het kader; evenals de inhoud doorloopt. Ook de abstracten legde ik die voorwaarden op.

Een laatste reeks: For as long as it lasts is nu te zien bij Frank Taal Galerie. Hoe heb je deze aangepakt?

Iedereen voelt dat wij als maatschappelijk ergens op een eindpunt zitten. Ik zocht dus een tijdsvak waarin dit ook gebeurde en koos voor het instorten van het Ancien Régime en de Franse Revolutie, alsook de Rococo als dominante stijl. Ik beoogde een vormentaal om dit naar het nu te transporteren. De taal van de rococo voel je tegenwoordig heel hard in de bling, het goed voorkomen en het materiële. Ik wilde het uiterlijk vertoon onderlijnen, maar daaronder zit natuurlijk meestal een donkere kant. Denk aan die ‘laatste dans’ op het dek van de Titanic. Ik zoek in mijn recente werken bewust die sfeer op.

Interview met Tom Woestenborghs

De tearjearker My heart will go on van Céline Dion indachtig dus. (knipoogt) Waarom was dit thema urgent? Wat mogen de mensen verwachten.

TW Je voelt dat deze spanning op dit moment in de maatschappij hangt. Als de cover van mijn boek al My little Pony uitbeeldt, mag je je aan heel kleurrijk en extreem werk verwachten. Het is extravert en weemoedig. Dit is omdat ik de huidige maatschappelijke situatie zo aanvoel. My little pony gaat ook over de dwangmatigheid om de jeugdigheid te behouden, jong te blijven. We ‘mogen’ niet meer oud worden. Binnen hetzelfde thema creëerde ik werk op skateboarden onder de noemer half a boy and half a men. Binnen de reeks heb ik ook vaak teruggegrepen naar de effectieve rococo schilderijen van bijvoorbeeld Fragonard en Boucher. A depiction of the idea that, in hindsight, Marie-Antoinette may have made a valid point. Of Songe érotique.

Klinkt goed! Ik kijk uit naar je expo, Tom!

Praktisch

De expo For as long as it lasts loopt nog tot 30 maart ’24 bij Frank Taal Galerie, Van Speykstraat 129 in 3014 VH Rotterdam.
Open donderdag en vrijdag, 12.00 – 18.00 u, en op
zaterdag, 13.00 – 17.00 u.

Reageer

Back to top button