GeschiedenisGevangenismuseum Merksplas

200 jaar Kolonie: geschiedenis tussen zorg en straf

Na het failliet van de Zuidelijke Maatschappij van Weldadigheid in 1842 blijven de koloniën van Wortel en Merksplas verlaten achter.

Door de wet op de landloperij van 6 maart 1866 konden bedelaars en landlopers na het verstrijken van hun straf ter beschikking van de regering gesteld worden voor een termijn van minimum 15 dagen tot 3 maand en van 3 tot 6 maand in geval van recidive. Deze wet voorzag ook in de mogelijkheid om bestaande bedelaarshuizen af te schaffen en om nieuwe inrichtingen te stichten.

Het enige bestaande landbouwgesticht voor werkbekwame landlopers, Hoogstraten, was veel te klein.  Voor de oprichting van een nieuwe instelling twijfelde de administratie tussen Rekem (Limburg) en Merksplas.  Uiteindelijk koos men Merksplas om zijn ligging bij de meer bevolkte centra, de bestaande gebouwen te midden van de kolonie en de reeds gedeeltelijk ontgonnen en bewerkte gronden.

Op 20 december 1870 kocht de minister van Justitie voor 600.000 Fr de koloniën van de vier eigenaars die ze, in 1863, van prins Frederik hadden verkregen.

In 1871 begonnen de aanpassingswerken onder leiding van directeur De Lobel van Hoogstraten.

In eerste instantie herstelde men in Merksplas het bestaande hoofdgebouw en de grote hoeve zodat er snel een aantal landlopers konden verblijven en werken.  De steenbakkerij was de oudste vorm van industriële activiteit in Merksplas en leverde vooral bakstenen voor de eigen gebouwen.

Gebouwen vanaf 1870 

In een tweede fase werd een groot aantal gebouwen opgericht volgens de plannen van Victor Besme, bouwmeester en stedenbouwkundige in Brussel.

Victor Besme was landmeter van opleiding en werd op zijn vierentwintigste inspecteur der wegen in Brussel. In die hoedanigheid stelde hij een “Algemeen plan voor de uitbreiding en verfraaiing van de Brusselse agglomeratie” op. Dit plan trok de aandacht van koning Leopold II en Besme kon vanaf dan op zijn steun rekenen.   Hierdoor deden steeds meer private en publieke instanties een beroep op hem. Eén van die opdrachten was de stedenbouwkundige vormgeving en het ontwerp van de belangrijkste gebouwen van de door België beheerde kolonies o.a in Merksplas en Wortel.

Van de vier slaappaviljoenen (nu centrum voor illegalen) werden eerst de twee meest oostelijk gelegen gebouwen opgericht circa 1878 en vanaf 1882 de twee westelijke. Nog in 1882 wordt de westvleugel van het hoofdgebouw verbreed.  In 1884 en 1885 komt er een hospitaal achter  het hoofdgebouw.

Circa 1891 werden de noordelijke, oostelijk en zuidelijke vleugels verbreed en werd een celgevangenis ingeplant, haaks op de zuidvleugel en geflankeerd door twee halfronde “wandelingen” en een personeelswoning aan weerszijden van de kopgevel aan de Rode Dreef. In dezelfde periode werd ook de school en de kleine hoeve gebouwd. Rond 1893 werd het hoevecomplex uitgebreid met de aardappelkelders en de bijbehorende stallingen. Circa 1897 werd gestart met de bouw van de kapel en het klooster dat via een gang in verbinding stond met het hospitaal. Zowel ten noorden als ten zuiden van de Steenweg op Rijkevorsel verschenen de eerste personeelswoningen: de oudste, uit de jaren 1880 – 1890, zijn de bewakerswoningen van het blok Kapelstraat/ Steenweg op Rijkevorsel / Kweekstraat en de directeurswoningen ten oosten hiervan. In de loop van de jaren na 1890 volgden de woningen van de Dammekensstraat en een aantal huizen aan de Steenweg op Rijkevorsel.

De Kunstvrienden

De werken werden vanaf 1884 opgevolgd door (adjunct)bestuurder Georges Lambert.  Deze was gehuwd met een nichtje van Victor Besme, die ook getuige was op hun huwelijk. Directeur Lambert is ook diegene die een harmonie opricht, de Kunstvrienden. De eerste jaren wordt er gerepeteerd in het hotel op de kolonie.  In 1893 wordt er een lokaal gebouwd op de Molenzijde waar zij kunnen repeteren.

Vervoer

Een smalspoorverbinding tussen het kanaal Dessel-Turnhout-Schoten en de kolonie bracht vanaf 1883 grondstoffen uit de stad aan zoals steenkool, mest en andere goederen. In eerste instantie werden de rijtuigen getrokken door ossen en later door een kleine locomotief “Decauville”.

De buurtspoorweg (tram) op het baanvak Hoogstraten-Merksplas, geopend op 01/10/1901, verbond het bedelaarsgesticht van Hoogstraten, de kolonie van Wortel en de kolonie van Merksplas met mekaar. Later werd deze lijn doorgetrokken naar Turnhout via Merksplas-dorp, Moerenstraat, Oosteneinde en het kanaal.

Bouwwerken rond de eeuwwisseling  – 1900

Rond de eeuwwisseling werd het bedelaarsgesticht opnieuw verbouwd en uitgebreid:  in de oostvleugel verdween het middenstuk zodat vanop de binnenplaats de voorgevel van het achter gelegen hospitaal als eindpunt fungeerde. De noordelijke binnenplaats werd aan noord- en westzijde omsloten door nieuwe vleugels en midden op dit plein kwam haaks een gebouw, het washuis. Op de grote hoeve werd het oostelijk uiteinde van de woonstalhuizen verbouwd tot woningen voor bewakers-toezichters en de stallingen bij de aardappelkelders werden uitgebreid. In deze periode komen er ook een aantal woningen voor het hoger personeel bij. Naast een aantal nieuwgebouwde bewakerswoningen werden de bestaande woningen van Kapelstraat/ Kweekstraat/ Steenweg op Rijkevorsel uitgebreid met een nieuwe of grotere haakse achterbouw; het schooltje kreeg achteraan een vleugel bij. Daar enkel landarbeid ontoereikend bleek, werd in het gebied al vlug met nijverheid gestart: tegen 1905 was de omgeving van de steenbakkerij uitgebouwd tot een bedrijfszone met het zogenaamde “middenmagazijn”, de vier blokken werkplaatsen, waar in 1910  al 15 firma’s actief waren en de open schuren.

Overzichtskaart rijksweldadigheidskolonie Merksplas – 1900

Wet ter beteugeling van de landloperij en de bedelarij (27/11/1891)

Bij koninklijk besluit van 8 mei 1871 werd het bedelaarsgesticht van Hoogstraten bestemd om alle tot werken bekwame landlopers van meer dan 18 jaar op te nemen; deze werden naar Merksplas overgebracht naargelang de bewoonbaarheid van het nieuwe gesticht vorderde.

Vanaf 1881 vormen Hoogstraten, Wortel en Merksplas een uitgestrekt interneringoord voor landlopers en bedelaars onder de benaming van Rijksweldadigheidskoloniën.

Op 27 november 1891 komt er een nieuwe wet op de landloperij. Deze voorziet drie categorieën van inrichtingen:

  1. De bedelaarsgestichten bestemd voor de gevaarlijke en de beroepslandlopers en bedelaars.

Deze zijn gevestigd te Merksplas voor de mannen en te Sint-Andries (Brugge) voor de vrouwen.

  1. De toevluchtshuizen bestemd voor de ongelukkige landlopers en bedelaars (die door gebrek, ouderdom of tegenslag niet kunnen werken) en waar het regime minder streng is dan in de bedelaarsgestichten.  Deze huizen zijn gevestigd te Hoogstraten en Wortel voor de mannen; te Sint-Andries (Brugge) voor de vrouwen
  1. De weldadigheidsscholen voor minderjarige landlopers en bedelaars.  Deze scholen (Rijksopvoedingsgestichten genaamd) zijn ingericht te Ruiselede, Mol en Saint-Hubert voor de jongens;  te Saint-Servais (Namen) en later Beernem voor de meisjes.

De wet voorziet dat, wanneer een persoon wordt gevonden, terwijl hij “bedelende of landlopende” is, hij kan of moet gearresteerd worden door de politie en binnen 24 uren naar de rechtbank van politie gebracht. De vrederechter doet vervolgens onderzoek naar zijn identiteit, ouderdom, lichaams- en geestestoestand en naar zijn levenswijze.  

  • Is de persoon beneden 18 jaar en is de gewone staat van landloper bewezen, dan zal de vrederechter hem aan de Regering overleveren om in een “école de bienfaisance” te worden opgenomen tot zijn meerderjarigheid.
  • Personen die boven de 18 jaar zijn en door luiheid, dronkenschap of ongeregelde leefwijze in staat van vagabondage verkeren en de souteneurs worden voor een termijn van 2 tot 7 jaren geïnterneerd in een dépôt de mendicité (bedelaarsgesticht).
  • Betreft het een ongelukkige, een “vagabond accidentel”, dan kan de rechter hem vrijlaten, zoniet levert hij hem aan de Regering over om in een maison de refuge (toevluchtshuis) te worden gebracht en daar te blijven, totdat zijn uitgaanskas een bepaald bedrag, vastgesteld door de minister, heeft bereikt. Zij kunnen echter niet langer dan een jaar tegen hun wil opgesloten worden gehouden.
  • Personen, zonder middelen van bestaan, kunnen zich ook zelf aanbieden in een toevluchtshuis, mits zij een attest hebben van het college van burgemeester en schepenen van hun domicilie dat deze de onderhoudskosten zullen dragen.
  • Wanneer landlopers een delict plegen, dan blijft de strafvervolging niet achterwege.  Worden zij door een correctionele rechtbank veroordeeld wegens wanbedrijf van minder dan 1 jaar, dan heeft dit rechtbank de bevoegdheid hen tevens ter beschikking der regering te stellen, om na het ondergaan van hun straf gedurende een tijd van 1 tot 7 jaar in een Dépôt de mendicité te verblijven.
  • Volwassen valide vreemdelingen kunnen onmiddellijk naar de grens worden geleid, dit is zonder ter beschikking der regering te worden gesteld. Mag de vreemdeling als ingezetene worden beschouwd, dan wordt hij wel in een gesticht worden geplaatst, maar heeft de regering te allen tijde de mogelijkheid hem naar de grenzen te doen leiden.
  • De minister van justitie heeft de mogelijkheid om landlopers en bedelaars vrij te stellen voor het verstrijken van de termijn van terbeschikkingstelling als hij het verblijf niet langer nodig oordeelt en de uitgaanskas een bepaald bedrag heeft bereikt.

De kosten van het verblijf in een bedelaarsgesticht of toevluchtshuis werden gedragen voor een derde door de staat, een derde door de provincie en een derde door de gemeente van onderstand (domicilie).

Bevolking Merksplas 

De bevolking in het bedelaarsgesticht Merksplas neemt tussen 1880 en 1914 gevoelig toe. Vlak voor de eerste wereldoorlog verblijven er 5400 personen. Na de oorlog is het aantal landlopers aanzienlijk verminderd en door de invoering van nieuwe sociale wetten blijft dit ook zo. Hierdoor komt er in Merksplas ruimte vrij die vanaf de jaren 1920 wordt gebruikt voor de opsluiting van veroordeelden. In eerste instantie komt er een penitentiaire landbouwschool en een afdeling voor epileptiekers en geesteszwakken.  Enkele jaren later, in 1924, wordt een penitentiair sanatorium voor veroordeelden ingericht in één van de voormalige slaapzalen voor landlopers.

Bewaking en ontvluchtingen

Op 21 november 1889 ondertekenen de ministers van landsverdediging en van Justitie een akkoord voor de verzekering van de militaire wacht in het depot. Een compagnie met een effectief van 4 officieren, 11 onderofficieren, 129 korporaals en soldaten, uit het Antwerpse garnizoen genomen en om de 3 maand afgelost, belast men met de bewaking van de landbouwkoloniën. Naast schildwachten en piketten, zou de wacht één soldaat leveren per groep werkers.

Ondanks de aanwezigheid van deze wacht waren de ontvluchtingen zeer talrijk: in 1897, het jaar met de minste ontvluchtingen, waren er 495 op een gemiddelde bevolking van 3644 gedetineerden; in 1905, het jaar met de meeste ontvluchtingen, waren er 1243 voor een gemiddelde van 5002 opgeslotenen. Velen werden trouwens terug gevat.  In  1897 werden er 438 ontvluchten terug opgesloten; in 1905 waren er 1097 wederopsluitingen.

Om de ontvluchtingen tegen te gaan, werd een premie  toegekend voor de aanhouding van weglopers.  Vanaf 1881 besloot men deze premie slechts te betalen wanneer de gedetineerden gevat werden op meer dan 5 km van de kolonie. Ingevolge misbruiken – werklieden uit het omliggende en soldaten van de wacht waren met gedetineerden overeengekomen om de beloofde som te verdelen –  werd de premie in 1886 volledig afgeschaft.  

De vaart

Op de topografische kaart van 1895 staat een volledig omlopende ringgracht ingetekend waarvan de aanleg in 1893 werd aangevat om de ontvluchtingen tegen te gaan.  Het zuidelijk gedeelte van de ringgracht en een geplande aansluiting met het kanaal naar Turnhout zijn echter nooit uitgevoerd.  

Tewerkstelling

Ingevolgde de  sterke stijging van de bevolking van het bedelaarsgesticht te Merksplas volstond de landarbeid niet meer. Vanaf 1880 krijgt het nijverheidsgedeelte meer en meer belang. Talrijke firma’s uit Brussel, Hoogstraten, Turnhout en zelfs Breda, richten werkplaatsen op in het dépôt:  In 1907 zijn er 11, in 1910 reeds 15. In 1893 gebruikt de firma Guillon uit Brussel 111 kolonisten voor het vervaardigen van reiskoffers, hoeden, fantasieartikelen, stofferingsvoorwerpen, tapijten, mandenwerk, enz. De firma’s leveren de grondstoffen en betalen het handwerk. 

Ook de administratie zelf richt werkplaatsen in: een steenbakkerij, leerlooierij, betonbewerking, meubelmakerij, kleermakerij en weverij.  De productie werd gedeeltelijk buiten de inrichting verkocht, vooral aan leden van het personeel of ambtenaren van justitie; ook aan de gevangenissen en weldadigheidsinstellingen. Ook voor de posterijen en het leger werden werken uitgevoerd. 

Wereldoorlog I

Bij het uitbreken van wereldoorlog I krijgen 5.400 kolonisten de mogelijkheid om te vertrekken met 5 frank zakgeld en burgerkledij. 3.000 van hen vertrekken effectief. De plaatsen die vrijkomen worden tijdelijk door vluchtelingen ingenomen. Nadien vangen de drie kolonies steeds meer zwakzinnigen op van verschillende instellingen.  Einde september 1914, na zware bombardementen, komen vanuit Duffel  600 zwakzinnigen en een 100-tal zusters Norbertinessen.  Deze nemen in 1915 hun intrek in Wortel en Hoogstraten waar zij enkele jaren zullen blijven. In 1916 slaan de Duitsters een aantal instellingen in West- en Oost-Vlaanderen en Noord-Frankrijk aan. De bewoners, krankzinnigen, zieke en oude mensen brengt men onder in Merksplas.

De Spaanse griep

Ook de heropvoedingsscholen van Ruiselede en Saint-Hubert sturen groepen jongeren naar Merksplas.  Een groep die in 1918 vanuit Saint-Hubert komt, brengt de Spaanse griep mee. De ziekte verspreidt zich onder de kwetsbare bewoners met desastreuze gevolgen.  Dagelijks sterven er mensen en sommige dagen worden tot 50 mensen begraven. Hierdoor moet men zelfs een apart kerkhof aanleggen. In totaal worden daar tijdens een korte periode 1.087 mensen begraven.

De naoorlogse periode

Na de bevrijding loopt het aantal landlopers sterk terug. Enerzijds omwille van de heropbouw van het land, anderzijds door de verbetering van de sociale wetgeving. Na enkele jaren stabiliseert het aantal kolonisten op 1.000. Dit heeft grote gevolgen voor Merksplas waar vanaf de jaren 1920 de eerste stappen worden gezet voor een geleidelijke overgang van rijksweldadigheidskolonie naar strafinrichting.

Bronnen:

  1. Les Colonies de Bienfaisance – Monographie – Ministère de la justice – 1939
  2. Bulletin van het bestuur der strafinrichting maart-april 1966 – Monografie betreffende de strafinrichting te Merksplas.  Armand Deroisy, professor in de geschiedenis.
  3. De koloniën van weldadigheid in de Noorderkempen – Willy Schalk & Frans Horsten.
  4. J. Buyck & K. Velle, Inventaris van het archief van de rijksweldadigheidskolonies Hoogstraten-Merksplas-Rekem-Wortel (1810-1980), Brussel.
Beantwoord snel onze Eindejaarsvragen

Reageer

Back to top button