Tentoonstelling

Vaast Colson: een kantelmoment in Kasterlee

In 2022 bestaat het Frans Masereel Centrum in Kasterlee 50 jaar. Kunstenaar Vaast Colson, die tot 1998 in Merksplas woonde, neemt er enkele maanden zijn intrek.

Het Frans Masereel Centrum groeide door de jaren uit tot een uniek hedendaags kunstencentrum. Het heeft een artistiek programma dat gericht is op kunstenaars, maar het biedt ook onderdak aan binnen- en buitenlandse kunstenaars en curatoren in hun laboratorium met zes grafiekateliers.

‘Geboren in Kapellen, woont in Antwerpen’: dat is wat je bio vertelt. Maar je hebt toch Merksplasse roots, Vaast?

“Ja hoor, toen ik twee was, zijn we verhuisd naar Merksplas. Mijn ouders zochten een stek in de buurt van Janssen Pharmaceutica, en dat werd Merksplas. We hebben – toen ik lagere school liep – nog enkele jaren in de buurt van Sydney gewoond, omdat mijn vader daar moest werken. Maar nadien ging ik naar de gemeenteschool, en nadien naar het Klein Seminarie. Mijn laatste twee jaren secundair deed ik in het Sint-Pietersinstituut in de humane wetenschappen. Daar kreeg ik plots esthetica en plastische opvoeding. Die leerkracht wist me zo te begeesteren dat ik vanaf het eerste semester al wist dat ik me zou inschrijven in de Antwerpse Academie. Daar zat waarschijnlijk een dosis naïviteit bij. Dat hoort nu eenmaal bij een adolescente geest.”

Was Merksplas dan zo’n goede voedingsbodem voor je talent?

“Wat zeker ook meespeelde bij mijn keuze voor de Academie, was dat ik in Merksplas als kind, samen met mijn broer, in de ban was geraakt van skateboarden. Met de magazines en de video’s die daarbij hoorden, werd ik opgezogen in een visuele cultuur, die je verder in Merksplas niet vond. Er zijn wel parallellen te trekken tussen de wereld van het skaten en die van de kunst: de skaters en de kunstenaars oefenen om zich later als professionelen te tonen.”

“Maar van thuis uit kregen we ook wel wat bagage mee. In onze reizen of uitstapjes zat altijd wel een cultureel-educatief luik. Zwembad en musea waren fiftyfifty verdeeld. En er hingen thuis ook wel wat werken aan de muur. Als je steden bezoekt, attent wordt gemaakt op architectuur of musea… op het moment dat je je identiteit vormt, blijf je dat wel meedragen.”

Isidoor Vaast Colson
Vaast vóór de installatie die hij voor de jubileumviering van het Frans Masereel Centrum maakte. “Ik zie me daar cocktail-shakend achter de toog staan.” Foto: © w_wh_at

Je werd al snel na de Academie al gelanceerd als nieuwe wonderjongen.

“Na de Academie volgde ik nog een jaar vervolgopleiding in het Bredase Post St. Joost. In Antwerpen ging men uit van studio-based onderwijs: kunst werd er gemaakt in het atelier. In Breda was dat net omgekeerd: daar lag de nadruk op de kunstenaar als persoon. De nadruk lag er meer op het handelen, dan op het maken van een resultaat. Die performance-cultuur vond ik aantrekkelijk, en deed me ook weer denken aan de skate-cultuur: acties tonen, wat durven en zo nodig wat faken. De intentie was daarbij belangrijker dan het resultaat: de mechaniek tonen van hoe iets ontstaat, leek me leuker dan iets tonen als het af is. Een werk moet niet noodzakelijk gemaakt worden in het atelier, maar kan onmiddellijk in de wereld geplaatst worden. En anderen – het publiek of de organisatoren – maken onlosmakelijk deel uit van het proces.”

“Mijn performances vergen relatief veel voorbereidend werk, en ook heel wat fysieke inspanning. Ik maakte regelmatig installaties die er in twee dagen moesten staan, om dan twee dagen tentoongesteld te worden.” Een voorbeeld:

In 2002 bevestigt Vaast Colson nog eens dat hij echt wel een schilder is: met ‘Anch’io sono pittore’ (‘ook ik ben een schilder’) neemt hij de woorden van Antonio da Correggio in de mond voor een performance in Lokaal 01 in Antwerpen. Hij bouwt er een ruimte van drie verdiepingen, waarvan de middelste voor het publiek toegankelijk is. Dat ziet daar het beeld tot stand komen van verf die door verschillende infuusbuisjes loopt – verf die Colson telkens aan het uiteinde van de buisjes, op de onderste verdieping, gaat ophalen en die hij dan op de bovenste verdieping opnieuw mengt en door de buisjes laat lopen.
uit: Ons Erfdeel, jaargang 54

“Of al die inspanning met dagenlang heen en weer met verf rennen met masochisme te maken heeft? Nee, eerder met concentratie. Net zoals frescomakers tijdelijk heel hun leven concentreerden op die plek waar ze werkten. Of als acteurs: die kunnen niet zomaar uit hun rol stappen – omdat ze het risico lopen er niet terug in te geraken. Als je uit het proces stapt, neem je het risico dat je er niet meer terug wil instappen. Het draait om engagement, om discipline, om je klaar te stomen voor je ambitie. Daarin schuilt ook mijn drive: als je iets wil doen voor het publiek, is het je verantwoordelijkheid om te laten zien wat je allemaal doet en wat je wil tonen. Dat moet niet in het atelier gebeuren, maar voor de ogen van de wereld.”

“En ik voelde ook nog de verantwoordelijkheid die ik als kunstenaar had ten opzichte van de maatschappij. Als Qworzó of het Sint-Pietersinstituut me vragen of ik hen kan helpen bij een project, doe ik dat. Maar als ik dat doe, doe ik op dat moment niet iets anders. Die attitude pikte ik ook op in Breda.”

Kalklijnen hoek, Raoul De Keyser, 1971. Afbeelding: wikart.org, © Raoul De Keyser Fair Use

“Een schilder pakt een doek, wat borstels, wat verf, en als toeschouwer kan je op het laatst zien wat er gebeurde. Als je spreekt over tennis, dan gaat het over deze elementen: een veld, met twee of vier mensen, raketten en een bal. Maar als je met honderd mensen op het veld gaat staan, gaat het niet meer om tennis. Ik probeer net zo in de schilderkunst die parameters wat te bespelen. Ik kies voor een ander ritme, andere materialen, maar toch ook met veel affiniteit met de schilderkunst. De artistieke daad is een soort matrix die overal achter zit, maar ik betrek er veel andere elementen bij.”

Raoul De Keyser deed dat subtiel in zijn werk met voetballijnen. Het ging hem natuurlijk om meer dan die lijnen: hij maakte een andere constellatie, hij creëerde een situatie voor zichzelf. Het ging hem niet enkel over voetbal, maar ook over de begrenzingen binnen de schilderkunst.”

Opnieuw langs het startvak

Waren de voorbije jaren een fase die voorbijging?

El Greco, Dame in Bontjas, 1577-1580, uit Wikimedia.

“Na mijn studies ben ik al snel vanuit de anonimiteit in het publiek debat gerold. Ik werd meer en meer gevraagd, en gaandeweg voelde ik dat er een soort maturiteit in mijn systeem sloop. Ik kan met vertrouwen terugvallen op ervaringen. Het lijkt alsof ik terug passeer langs het startvak, na twintig jaar ervaringsgerichte projecten te kunnen doen. Ik voel me nu zoals een topsporter, die op een zeker moment weet dat hij in een ander ritme terechtkomt. Er staat een andere generatie te trappelen om zich te manifesteren.”

“Met de jaren raakte El Greco ondergesneeuwd, maar eeuwen later werd hij terug opgepikt. In dat opzicht creëert kunst andere afstanden en tijdszones. Jules Verne en Panamarenko vertonen net daardoor veel raakvlakken.”

“De media spreken zelden over kunstwerken, maar wel over hun verkoopprijs of over het succes. Ik heb me daar altijd tegen verzet, maar zelf ben ik daar ook niet ongevoelig voor. Zeker niet als je een huis wil kopen (lacht). Maar toch wil ik wat terug naar de anonimiteit. Ik vind dat je moet durven wat onzichtbaar te zijn. Dan moet je inspiratie komen vanuit je eigen kracht.”

Verzamelaar

Archief Vaast Colson, Foto: CKV, 2020

“Ik heb een enorme verzameldrang. Ik hield de voorbije decennia alles, maar dan ook alles, bij: e-mails, kassatickets, notities, studies… Van het eens zo grote Romeinse Rijk resten nu nog een handvol stenen, wat keramiek en wat munten. Dat zou het voor mezelf wat moeten relativeren. In Genk heb ik ze tentoongesteld. Hier in Kasterlee zit er een deeltje opgestapeld. Ergens wil ik erop terugkijken en overschouwen, en er een getuigenis over maken wat ik wel en niet deed. Ik heb zin om uit al die herinneringen materie te persen. Er bijvoorbeeld een stripverhaal uit puren.”

“Maar er staan nog enkele projecten zoals vroeger op til. Ik weet stilaan hoe dat gaat. Ik kijk wat op tegen de dingen die ik er allemaal moet voor doen. Zonder echter water bij de wijn te doen voor mijn intenties.”

Box

“Die verzameldrang is een wat archeologisch – antropologisch spel. Alles zit in mappen en boxen. De kunstwereld doet hetzelfde. Neem nu de Mona Lisa: die wordt al jaren met alle mogelijke middelen gefixeerd, terwijl het werk – hoe goed we het ook proberen te maskeren – elke seconde verandert en veroudert. Het tentoonstellen is eigenlijk een theaterstuk.”

“In mijn werk zitten ook veel dozen: in het M KHA staat een box met 12 schilderijen die ik in 2004 maakte van Helena, de dochter van de Duitse kunstenaar Martin Kippenberger. Dat project heette ‘Helena: De schilderijen die Martin niet meer kon schilderen‘. Daarmee verwees ik naar Martin Kippenberger’s serie ‘Jacqueline: De schilderijen die Pablo niet meer kon schilderen‘. Enkel op de verjaardag van Helena wordt de box geopend, en kan je daarin aan een bureau gaan zitten. Op dat bureau ligt een gravure die de 12 portretten combineert. Als je er een vel papier over legt, kan je er met krijt over wrijven, en krijg je een Colson mee naar huis. Dat wrijf-idee deed ik op in Westminster Abbey, waar ik mensen dat zag doen. Ik vond het iets diepmenselijk, om kunstwerken als een verhaal terug aan te raken, terug tot leven te brengen door erover te wrijven.”

‘Isidoor’, werk van Vaast Colson

De balans

“Tentoonstellen stelt me soms wat teleur. De aandacht gaat niet altijd naar de voorstelling, maar eerder naar wat goed ligt in de kunstbranche. Het lijkt vaak op professionele positionering, in plaats van op het uitlokken van ervaringen bij de kijker. Voor mij is een kunstwerk er pas echt als iemand er zich toe verhoudt.”

De voorbije jaren heb ik veel moeite gedaan en veel risico’s genomen. Ik was vaak tevreden met een break-even als resultaat; winst leek vaak onhaalbaar. Die winst zat meer voor mij in het publiek dat ik er deel van zag uitmaken, of van het kijken. Maar ik wil bij het creëren niet langer dagen slapen op de grond. Nee, ik wil stilaan meer investeren in een duurzaam, persoonlijk leven.”

“Het Frans Masereelcentrum nodigde me uit omdat ze 50 jaar bestaan. Hier in dit huis zit de geschiedenis van duizenden makers. Het herbergt veel grafische technieken en extreem uiteenlopende mogelijkheden. Ik wil hier iets ontwikkelen waarmee ik die viering kan ondersteunen. Ik heb een massa mappen met ideeën en schetsen naar hier gebracht. Daarvan is nooit veel uitgevoerd. Het lijkt een draaiboek van wat ik denk dat ik dacht. Ik nodig mensen uit om selecties te maken uit mijn schetsen, en om ze te hergroeperen. Zo waren er hier vorige week lagereschoolkinderen die boekjes maakten op basis van mijn tekeningen. Ze bakenden zo wat af uit mijn werk, om iets bevattelijk te maken wat niet bevattelijk is.”

“Vanuit mijn eigen verlangen wil ik daarnaast kansen zoeken om mijn werk verder te brengen met de materialen en tools die hier aanwezig zijn. Dat is misschien een voordeel van deze plek: misschien vind ik hier wat tijd en ruimte om mijn eigen overlevingsstrategieën concreet uit te werken. Misschien wijd ik me in de toekomst toch terug aan het atelierwerk?”

Vaast binnenkort

Je kan de volgende tijd nog werk van Vaast Colson tegenkomen op:

  • Stormloop, Herentals, 7 – 22 mei
  • Sous les pavés, la plage!, Mulier Mulier Gallery, Knokke, opening op 8 mei 
  • Kunstennacht, Maison Florida, Hasselt, 12 mei
  • als co-curator werkt Vaast mee aan de invulling van de huidige editie van de Biënnale van de Schilderkunst in het Roger Raveel Museum dat op 26 juni zal openen en tot 2 oktober loopt
  • in september doet Vaast mee aan een tentoonstelling naar aanleiding van 50 jaar de Warande in Turnhout
  • als curator werkt hij aan een tentoonstelling met werk van kunstenaars van het Kunsthuis Yellow Art in Geel, dat in januari 2023 in de Halle zal doorgaan

1 reactie

Reageer

Back to top button