Nieuws

An Vermeren over Café Stolwerk, jarenlang het hart van het dorp

Bijna iedereen in Merksplas kent de naam Stolwerk. Het rondpunt is genoemd naar het café dat er vroeger stond, en naar de man die het openhield. Jarenlang was dat café veel meer dan een plek om iets te drinken: het was een ontmoetingsplaats waar verenigingen samenkwamen, verhalen werden verteld en de cafébaas het hele dorp kleur gaf.

An Vermeren – ook wel “Anneke van Pola van Stolwerk” genoemd – schreef er een familieboek over. We spraken met haar over haar jeugdherinneringen, haar markante grootvader Zander “Stolwerk” Peeters, en waarom dit verhaal volgens haar niet verloren mocht gaan.

De Koffiegesprekken van merksplas.NU

Voor de vierde keer dit jaar nodigden we publiek uit bij onze interviews tijdens een Koffiegesprek. Bij een koekje en koffie kwamen er deze keer 24 mensen luisteren naar An en mee vragen stellen.

“Zo was ik hier bekend als klein dropke”

An, je noemt jezelf in het boek ‘Anneke van Pola van Stolwerk’. Daar is waarschijnlijk alles mee begonnen?

“Ja, zo was ik hier in Merksplas bekend als klein kind. Iedereen wist meteen mijn band met cafĂ© Stolwerk. Zander Peeters, of Stolwerk, was mijn grootvader. Ik was de eerste dochter van Paula, zijn oudste dochter.

Voor het boek koos ik bewust het perspectief van een jong kind, omdat ik het cafĂ© zelf ook zo heb gekend. Daardoor blijft het verhaal luchtig en toegankelijk – want dat wou ik zo.

Het was eigenlijk een zware tijd, maar ik wilde daar niet te diep op ingaan. Mijn tante May zei nog: ‘Het is een goed verhaal, maar zeg er wel bij dat het door de ogen van een kleinkind is.’ Want ieder familielid heeft zijn eigen kijk op dat cafĂ©.”

Ben je zelf van Merksplas?

“Nee, ik ben geboren in Turnhout. Mijn ouders woonden heel kort in Merksplas, net na hun huwelijk. Mijn vader werkte bij de douane en werd al snel overgeplaatst naar Lommel. Daarna zijn we naar Mechelen verhuisd, waar we lang gewoond hebben.”

Hoe kwam je dan toch in het café terecht?

“Bij de geboorte van mijn tweede zusje kreeg mijn moeder een zware depressie. Toen zijn wij bij bomma en Votolleke – zo noemde ik mijn grootvader – in het cafĂ© komen wonen. Zo heb ik als zevenjarig kind een jaar lang in dat cafĂ© gewoond. Ik ging in Merksplas naar school en deed er mijn eerste communie. Dat jaar staat centraal in het tweede deel van mijn boek. Nadien zijn we nog vaak naar bomma teruggekeerd. Ik vond het altijd geweldig om naar Merksplas te komen, en die vreugde probeer ik ook in het boek over te brengen.”

Votolleke (Zander Peeters) en Bomma (Marie Van In), 1924

Waarom nu een boek?

“Ik liep al lang met dat idee rond. Er waren zoveel anekdotes en gekke verhalen, want Stolwerk was geen gewone man, maar ‘nen hele zotte’. Wie hem ooit gezien had, vergat hem niet. Ik dacht: dit moet bewaard blijven, minstens voor de familie.

Ooit vroeg ik twee nonkels op een familiefeest: ‘Kunnen jullie dat niet opschrijven?’ Ze keken me een beetje meewarig aan, en het idee verdween weer uit mijn hoofd. Tot ik jaren later aan de schoolpoort een grootvader tegenkwam die zei: ‘Ik heb al mijn verhalen opgeschreven, zodat ze niet verloren gaan voor mijn kleinkinderen.’ Toen dacht ik: ik heb zĂłveel te vertellen, ik moet dat ooit doen. Maar ook toen zakte het weer weg.

Uiteindelijk waren het droevige gebeurtenissen die de knop omdraaiden. In 2019 verloren we een zoon aan kanker. Hij was zelf van plan een boek te schrijven over zijn ziekte, en had al twee bladzijden klaar. Hij was heel optimistisch en kon prachtig vertellen. Ik overwoog om zijn verhaal af te maken, maar dat kon ik emotioneel niet aan.

Toen dacht ik: ik begin aan het boek dat al zo lang in mijn hoofd zit. Dat zou beter zijn voor mezelf, en ik kon het vrolijk houden. Toen brak corona uit, en had ik plots veel tijd. Mijn man zei elke dag: ‘Kom, hup, twee uur schrijven.’ Zo ben ik vertrokken.

Nonkel Raf had veel informatie; hij had ooit voordrachten gegeven voor het Davidsfonds en gaf me al zijn teksten. Nonkel Harry sprong later bij met zijn verhalen. Ik had verhalen van tante May, en van mijn moeder kreeg ik veel liedjes en teksten. Het rolde er bijna vanzelf uit, en het heeft me enorm geholpen om mijn verdriet te verwerken. Zodra ik begon te schrijven, vergat ik de wereld om me heen. Het voelde alsof ik van bovenaf hulp kreeg, alsof zij meeschreven: dit verhaal moet verteld worden.

Ik heb het wel vier of vijf keer herschreven voor ik tevreden was. Ik leerde dat schrijven minder makkelijk is dan je denkt: als je denkt dat je klaar bent, begint het pas echt. Je moet fouten eruit halen, overleggen met een drukker… Een boek maak je niet alleen. Ik kreeg veel hulp van mijn man, mijn kinderen, tantes en nonkels. Het was een mooie aanleiding om elkaar terug op te zoeken en over vroeger te praten. Dat deed heel veel deugd.”

Café Stolwerk

De deur van het café

Herinner je je nog je eerste bewuste herinnering aan het café?

“Het allereerste moment niet, ik was toen te klein. Maar wat ik me heel goed herinner, is de deur van het cafĂ©. Die stond op de hoek, en je zag hem al van in de Leopoldstraat. Je moest ertegen duwen, dan gaf hij een klik, en de geur van het cafĂ© kwam je tegemoet – iedereen rookte toen natuurlijk. Op dat moment was ik thuis, daar voelde ik me goed. Als ik die deur zag, dacht ik: ik ben er. Dat gevoel is bijna onbeschrijflijk.”

De geschiedenis van het café

“Op de hoek van de Steenweg op Beerse en de Steenweg op Turnhout stond al lang een huis. Het werd ooit verkocht door de erfgenamen van Anna Maria Vermeeren – toevallig bijna mijn eigen naam – aan de ouders van Stolwerk.

Die ouders openden er een eerste cafĂ©, ‘In het Belgisch Rijk’. Maar dat hielden ze niet lang vol: de klanten pisten tegen de toog, en dat vonden ze niks. Ze stopten ermee.

De overgrootvader, Ludovicus Peeters, was eigenlijk schrijnwerker. Zijn zoon Zander – de latere Stolwerk – werkte voor zijn vader en bleef er wonen. Toen hij trouwde, trok hij er met zijn vrouw in. Na de dood van zijn ouders nam hij het pand over. Ook Zander was schrijnwerker, maar in 1939, vlak voor de mobilisatie, was er weinig werk. Ze moesten iets extra’s doen, en zoals veel mensen toen, begonnen ze een cafĂ©.

Het heette oorspronkelijk ‘CafĂ© Sportwereld’, maar omdat Zander de bijnaam Stolwerk had, werd het in de volksmond al snel CafĂ© Stolwerk.”

Waar komt de naam Stolwerk vandaan?

“Zander was schrijnwerker en werkte als vijftienjarige al mee in de bouw. Elke week legden de werkmannen geld samen voor een fles jenever. Op een dag zeiden ze tegen de jonge Zander: ‘Als jij nog vijftien cent bijlegt, hebben we genoeg voor twee liter jenever.’ Waarop hij antwoordde: ‘Vijftien cent? Daar koop ik wel dertig stolwerken van!’ Een ‘Stollwerck’ was een soort karamelsnoepje in een geel papiertje, meegebracht door de Duitsers. Zander was vijftien en had liever die zoetigheid dan sterke drank.

Later, als er getrakteerd werd, zeiden de mannen voor de grap: ‘Geef de Stolwerk ook maar iets.’ Zo bleef die naam hangen. Hij hoorde die trouwens veel liever dan zijn andere bijnaam, ‘Pinneus’ – zijn neus stond namelijk scheef na een mislukte operatie. Maar hij zei altijd: ‘Noem mij maar Stolwerk, dat is beter dan Pinneus.'”

Een dorpsfilosoof

Men noemde hem ook wel een dorpsfilosoof. Herken je hem in die beschrijving?

“Ja, en dat is precies waarom ik dit boek zo graag wilde schrijven; hij was zo’n bijzondere figuur. Hij viel graag op, stak fratsen uit en had zijn eigen manier van doen. Overal waar hij kwam, moest men weten dat Stolwerk er was geweest. Hij was niet bescheiden, maar wel een dolle figuur die mensen graag aan het lachen maakte.

Als dat schoner was, had de componist dat er zelf wel bijgedaan. Votolleke, als de radio opstond en iemand zong mee of trommelde met het bestek

 

Ik heb zoveel mogelijk van zijn uitspraken en fratsen verzameld in het boek. Hij deed soms onnozel, maar had een heel goed hart. Hij en zijn vrouw Marie hielpen graag mensen die het moeilijk hadden. Hij deed dus wel onnozel, maar was zeker geen onnozelaar.

Ikzelf heb mijn grootouders pas gekend toen ze al oud waren. Het waren vermoeide mensen die twee wereldoorlogen hadden meegemaakt, zes kinderen hadden grootgebracht en een kind hadden verloren. Af en toe kwam er nog een leuke flits van zijn oude karakter naar boven. Door dit boek te schrijven kreeg ik pas echt veel respect voor hen.”

Een sociaal huis

Hoe zou je het leven in het café destijds omschrijven?

“Plezant. Ik denk dat zij het woord ‘sociaal huis’ hebben uitgevonden. Op zondagnamiddag was het steevast voetbal: het cafĂ© was het verzamelpunt voor de jeugd en de junioren, die er vertrokken met een ‘brikje’ of een drankje.

De toneelvereniging was er gehuisvest, de brandweer kwam er, de fanfare… alles kwam er over de vloer. Als kind vond ik dat ontzettend boeiend. Hij zat werkelijk overal in – ik heb alle verenigingen waar hij lid van was opgenomen in het boek, en dat waren er heel veel.

Koningsschieten in 1955. Corneel Schoenmakers (Kees Schoen, de man met het petje) schoot zich toen tot koning.

Hij zat ook bij de brandweer samen met zijn zoon Louis. Ik herinner me nog als kind dat die jassen daar hingen en naar brand roken. Als de sirene ging, vlogen ze naar die jassen en waren ze weg. Dat vond ik heel indrukwekkend.”

An Vermeren: “Het moeilijkste was om een lijn in het boek aan te brengen met alle losse flarden die ik had.”

Onderzoek en chronologie

Hoe koos je welke verhalen wel en niet in het boek kwamen?

“Ik heb bijna alle verhalen erin gekregen. Het moeilijke was dat ik allemaal losse flarden had: de ene vertelde dit, de andere dat. Ik moest uitzoeken wat er echt klopte. Vertelden drie mensen hetzelfde verhaal, dan dacht ik: okĂ©, zo zal het wel gebeurd zijn.

Ik gebruikte ook mijn eigen herinneringen en deed veel opzoekwerk. Ik kreeg informatie van de Heemkundige Kring en zocht online in oude archieven en kranten. Het gaat er ook om hóé je een verhaal vertelt: je kunt hetzelfde verhaal triestig brengen, of de vrolijkheid eruit halen. Dat laatste heb ik gekozen.

Het moeilijkste was de chronologie: wanneer gebeurde wat, en hoe maak ik daar een vlot leesbaar geheel van? Losse feiten achter elkaar zetten, verveelt snel. Ik wilde er een lijn en wat spanning in krijgen. Nonkel Raf gaf me een groot compliment: ‘Je hebt er echt een lopend verhaal van gemaakt.’ Dat was precies de bedoeling. Maar ik heb niets bijgefantaseerd; het is voor het grootste deel allemaal echt gebeurd.”

Vijf cafés op één hoek

Er waren destijds een stuk of vijf cafés op die hoek. Hoe verliep de samenwerking daartussen?

“Er staat een verhaal in het boek waarin Stolwerk een deal sloot met een andere cafĂ©baas: ‘We kunnen gratis drinken, hè. Ik trakteer jou bij mij, en daarna trakteer je mij bij jou. Dan geven we niks uit!’ Zo liepen ze bij elkaar de deur plat.

Er is ook een verhaal over Nieuwjaar. Op de laatste dag van het jaar kwamen de ‘Hanzers’ (nieuwjaarszangers) langs. Op een keer kwam Stolwerk bij een ander cafĂ© binnen. Hij was nog niet verkleed, en vroeg of hij zich daar mocht verkleden. Hij vermomde zich, en ging zelf ‘hanzen’. Hij haalde zo ontzettend veel geld op, want niemand herkende hem. Al dat geld hebben ze nadien in dat cafĂ© opgemaakt.”

Verstopt op de gaffelzolder

Kwam je tijdens het schrijven nog verrassingen tegen die je zelf nog niet kende?

“Ja, vooral verhalen uit de Tweede Wereldoorlog. Op een bepaald moment werden twee mannen, Van Accom en Bert van de Maand, door de Duitsers opgeroepen voor verplichte tewerkstelling. Ze wilden niet mee, werden gezocht door de Gestapo, sloegen op de vlucht en kwamen aan in het cafĂ©. Bomma verstopte hen op de gaffelzolder boven de schrijnwerkerij, onder een grote plaat triplex.

Niet veel later viel de Gestapo binnen om hen te zoeken. Omdat de mannen de spanning amper aankonden, had bomma hen een fles jenever meegegeven tegen de stress. Ze hebben die fles helemaal leeggedronken. Toen de Gestapo de eerste keer niets vond en wegging, riep bomma: ‘Het is veilig, kom er maar uit!’ Maar er kwam geen beweging, want de mannen waren intussen stomdronken.

Plots kwam de Gestapo onverwacht terug voor een tweede inspectie. Ze zochten opnieuw, maar de mannen lagen inmiddels te slapen als een blok. Dat was hun geluk, want als ze hadden bewogen, waren ze gepakt. Ik heb hun namen bewust in het boek gezet, ook om te benadrukken dat ze niets misdaan hadden.”

Een pleidooi voor het dorpscafé

Hoe belangrijk was zo’n dorpscafĂ© toen, in vergelijking met vandaag?

“Mijn bomma had een luisterend oor. Tegenwoordig moet je daarvoor in therapie.” An Vermeren

 

“Heel belangrijk. Het was een echte ontmoetingsplaats waar iedereen samenkwam, ongeacht uit welke laag van de bevolking je kwam. Mijn bomma had een heel luisterend oor. Ik heb dikwijls gehoord dat mensen tegen haar bleven praten tot Ă©Ă©n uur ’s nachts; ze kreeg ze amper buiten. Maar die mensen konden wel hun verhaal kwijt. Tegenwoordig moet je daarvoor in therapie.

Dit boek is dan ook een pleidooi voor de terugkeer van het gewone café. Ik mis dat: gewoon binnenstappen op elk uur van de dag voor een pintje of een koffie, waar je spontaan met elkaar begint te babbelen omdat het er gemoedelijk is.

Al zeiden Bomma en Votolleke zelf altijd: ‘Begin nooit aan een cafĂ©. Iemand die zijn vader en moeder heeft vermoord, is nog te goed om een cafĂ© te houden.’ Ze raadden het ons dus ten stelligste af, maar toch pleit ik voor de terugkeer ervan.”

“Votolleke”

Waarom noemde je je grootvader eigenlijk ‘Votolleke’?

“Ik was het eerste kleinkind, en omdat mijn grootvader alles anders wilde doen dan de rest, moest ik ‘vader Stolwerk’ tegen hem zeggen. Maar ik was nog zo klein dat ik dat niet kon uitspreken, en maakte er ‘Votolleke’ van. Hij vond dat fantastisch: ‘Votolleke, dat vind ik goed!’ Sindsdien zijn alle kleinkinderen hem zo blijven noemen. Ik vind het mooi dat die naam altijd is gebleven.

Er staat trouwens ook een anekdote in het boek over hoe mager hij was. Bomma had een gestreepte pyjama voor hem gemaakt, maar hij was zo dun dat er maar één streep op paste. Dat soort uitspraken kende ik zelf niet eens; ik kwam ze tegen tijdens mijn opzoekwerk en dacht meteen: dit moet erin.”

Het verhaal van ‘De Schuur’

“Het absolute toppunt is het verhaal van ‘De Schuur’ – een legendarische sketch van Stolwerk, van vóór mijn tijd. Het was blijkbaar een nogal gewaagd verhaal, want ik was te klein en mocht niet in de kamer zijn als het verteld werd. Er werd gezegd dat mensen met volle bussen naar het cafĂ© kwamen om ‘De Schuur’ te horen.

Ik heb jarenlang naar die tekst gezocht, want die mocht nooit opgeschreven of opgenomen worden – dat was echt zĂ­jn unieke act. Maar mijn moeder was stiekem niet altijd even braaf: zij had de tekst destijds toch opgeschreven. Alleen waren we dat papier kwijtgeraakt. Uiteindelijk bleek nonkel Harry de tekst zelf nog te hebben. Ik was zo ontzettend blij dat ik ‘De Schuur’ vlak voor het boek naar de drukker ging, nog kon toevoegen. Je leest het maar in het boek zelf.

De familie ging ermee akkoord dat de tekst nu verspreid mag worden. We wilden dat verhaal ook echt claimen, want blijkbaar vertelden anderen het intussen zelf verder. Toen zeiden we: ‘Nee, dat is van Stolwerk, dat pakken we terug.'”

Terug naar het café

Als je nog één namiddag in het café van vroeger zou mogen doorbrengen, wie zou je dan het liefste terugzien?

  Dat is een moeilijke vraag.

“De hele familie natuurlijk, en dan vooral bomma en tante May, omdat ik me toen bij hen geborgen voelde. Aan Votolleke zou ik willen vragen wat hij van het boek vindt en welke fratsen ik vergeten ben.

Maar wie ik het meeste mis, is mijn zusje Magda, die deze winter overleed.

Wat de klanten betreft, denk ik aan gezellige mensen als Joske Smolderen, Joske Jacobs, Bert Schepers en Vic Verlinden, want die laatste trakteerde me altijd.”

Wil je het boek kopen?

Je kan het verkrijgen bij Lex Peeters (Steenweg op Hoogstraten 63). Het kost 30 euro. Spreek eerst met hem af: bel 0497 61 35 06.

Je vindt binnenkort ook een exemplaar in de bib van Merksplas.

Reageer

Back to top button