Het jaar 1901 – Louis Paul Boon (1977)
Hoewel Louis Paul Boon geregeld op televisie kwam in de jaren ’70, zijn de huidige generaties hem grotendeels vergeten. Jonge mensen kennen mogelijk wel het verhaal van priester Daens en de sociale strijd van de vroege progressieve christendemocratie, eind 19e eeuw.
Die strijd is door Boon gemythologiseerd in Pieter Daens, een boek uit 1971 dat als basis diende voor Daens, de Oscargenomineerde film van Stijn Coninx uit 1992. Dat het verhaal vandaag nog steeds ietwat bekend is, is wellicht vooral te danken aan de succesvolle Studio 100-musical uit 2008, die nog eens werd hernomen in 2020 en 2021 – voor en na de COVID-pandemie.

Na de publicatie van Pieter Daens begon Boon verder te twijfelen aan de daadkracht van “de georganiseerde sociale en politieke strijd”, aangezien loutere herverdeling niet noodzakelijk soelaas bood voor “oorlogen en structureel geweld alsook de dagelijkse ervaring van vervreemding”. Om het radicalere “anarcho-syndicalisme” te promoten besloot Boon De Zwarte Hand of het anarchisme van de negentiende eeuw in het industriestadje Aalst te schrijven, een soort vervolg op Pieter Daens. Voor De Zwarte Hand dook Boon opnieuw de archieven in. Het is de bijvangst van dat historisch onderzoek die uiteindelijk zal leiden tot Het jaar 1901. Verhalen naar de politiearchieven der stad Aalst.
Een boek over vooruitgang
De vraag of het leven vandaag de dag beter is dan vroeger, is uiteraard een veel te ruime vraag die peilt naar een of andere contextloze essentie die niet bestaat. Ik zeg niet dat Boon die vraag wilde beantwoorden met Het jaar 1901 – hij had duidelijk een ander doel – maar het is deksels verleidelijk om op basis van de lectuur van dit boek mee te dromen met het nog steeds dominante vooruitgangsnarratief.
In het voorwoord is Boon expliciet:
Maar hoe zag het leven van de doodgewone kleine man in zijn grauwe alledagsleven eruit? Er werd gehongerd. Alles waar men aan of bij kon werd gestolen en naar de krotten meegesleept. In smalle stegen, koeren en doodlopende ingangen werd ruzie gemaakt, met messen gevochten, gedronken en gehoereerd. De adem van dit industriestadje was een giftige adem geworden.
Hij wil aantonen dat een van de projecten van de moderniteit – kapitalistische industrialisatie – althans aan het begin van de nieuwe eeuw nog niet tot de hemel op aarde had geleid, en de stad wordt opgevoerd als een symbool van die mislukking.
Onmiddellijk moet hieraan worden toegevoegd, dat het boek er niet is om dit kleine volk te belagen, doch om aan te tonen hoe armoe en miserie, tegenover nietsontziende industrialisatie, overal ter wereld de mensen verbeesten moet. (…) Hoofdzaak is, het kleine bestaan op de drempel onzer teveel geroemde twintigste eeuw vast te leggen.
Politieverslagen als bouwstenen
Het is paradoxaal dat, hoewel Boon dit boek als een eigentijdse aanklacht bedoelde, ik initieel tijdens het lezen toch heel vaak heb gedacht dat in 1977 en in 2026 het leven toch een pak beter was en is dan in 1901. Het boek is namelijk een aaneenschakeling van korte stukken, meestal niet meer dan 2 bladzijden lang, gebaseerd op politieverslagen die Boon vond in de archieven van de stad Aalst. In die “juridische readymades” staat het inderdaad vol van vechtpartijen, diefstallen, zatlapperij en zedenfeiten.
Het resultaat is een lange stroom van veelal grimmige anekdotes, die zonder sentimentaliteit en zonder veel literaire verfraaiing op papier zijn gezet. Boons taal is soepel en robuust, vooral gericht op informatieoverdracht. Er zijn amper terugkerende personages, en er is, buiten het voortschrijden van de tijd, van januari tot eind december, geen overkoepelend verhaal.
Toch trek je als lezer snel conclusies: de gewone man in het Aalst van 1901 had het minder goed dan de gewone man in het Aalst van vandaag. Wat mij het meest opviel, is dat de personages uit de verslagen schijnbaar over een minder gezonde emotieregulatie beschikten dan de mensen nu. Conflicten werden vaak opgelost door geweld, men vluchtte in de jenever, mannen en vrouwen praatten weinig over hun innerlijke leven maar riepen des te meer tegen elkaar, seksualiteit gebeurde vaak onder dwang. Samengenomen zijn de verhalen die Boon hier te boek stelde schrijnend en intriest.
Hoe representatief is het boek?
Maar in hoeverre zijn deze verhalen representatief voor de mens toen? En in hoeverre verschilt de mens toen van de mens nu? Zelfs als we ons beperken tot uitspraken over mensen in de geïndustrialiseerde wereld, moeten we ons hoeden voor al te snelle antwoorden.
Zo is er om te beginnen Aalst, op dat moment de vijde grootste fabrieksstad in België – toen de vijfde industriële economie ter wereld. Zo bekeken is de stad dus zeker geen uitzondering of voetnoot in de geschiedenis van “nietsontziende industrialisatie”.
De vraag is ook in hoeverre Boon historisch correct is geweest. Voor De Zwarte Hand is dat wetenschappelijk onderzoek gebeurd, maar voor Het jaar 1901 nog niet. Toch weten we dat hij namen en data heeft veranderd, en is het niet uit te sluiten dat Boon, zoals voor De Zwarte Hand, hier en daar nog andere dingen heeft gewijzigd of aangedikt om de symbolische lading van het boek te versterken. Maar ook al denk ik dat Het jaar 1901 grosso modo als waargebeurd kan worden beschouwd, dan nog is de vraag in hoeverre Boons selectie representatief is voor het Aalsterse politiearchief uit die periode.
Zo komen we dus bij selectiebias. Hoeveel meer gewicht heeft viezentist Boon gegeven aan verslagen over kindermisbruik, overspel of zedenschennis? Wat was de verhouding per capita van verslagen met mensen die niet tot de arbeidersklasse behoorden? Speelde het feit dat Boon een alcoholist was mee bij de selectie van de vele verhalen aan de schenkkast van een van de vele herbergen? Zelfs al zou Het jaar 1901 een representatieve steekproef zijn – en dat is goed mogelijk, begrijp me niet verkeerd – dan nog rijst de vraag in hoeverre de arbeiders, boeren en werklozen in de politieverslagen representatief zijn voor gans het Aalsterse werkvolk.
Vooruitgang, maar tegen welke prijs?
Naar mijn aanvoelen is er wel wat vooruitgang geboekt op sommige vlakken: in België is kinderarbeid veelal verboden, er zijn duidelijk stappen gezet in de emancipatie van de vrouw, de sociale zekerheid biedt nu meer bescherming tegen abjecte armoede, en misschien hebben ook wel meer mensen wat gezondere manieren geleerd om met hun emoties en hun stress om te gaan.
Maar zulks betekent uiteraard niet dat de strijd gestreden is, of dat er nu meer geluk zou zijn. Ik ben geen historicus of psycholoog, en het is nog maar de vraag of je zulks wel deftig kunt onderzoeken. Hoe dan ook is het een gevaar om met een te beperkte blik te kijken. De sociale strijd in België is niet los te zien van de globale situatie, aangezien zowel de arbeiders als de adel hier volop dingen consumeren die van elders komen. Ongeveer 700 miljoen mensen leefden in extreme armoede in 2024, in 1901 was de totale wereldbevolking vermoedelijk maar 1,6 miljard. Als het over menselijk lijden gaat, hebben absolute cijfers ook hun plaats – ethiek is meer dan percentages. Het stond al in Mattheüs 25:45, en Ursula Le Guin herhaalde het met The Ones Who Walk Away from Omelas: het gevaar is met het geluk van deze het ongeluk van gene te relativeren.
Het probleem van vervreemding zal ik maar onbesproken laten – sociale media en AI zijn nog te nieuw om er al boude uitspraken over te doen, maar mij lijkt het duidelijk dat ons collectieve contact met de realiteit niet noodzakelijk heilzamer is dan in de 19e of de 20e eeuw.
De blijde boodschap van vooruitgangsoptimisten als Steven Pinker en wijlen Hans Rosling vertoonde al langer dan vandaag barsten. Bovendien is het al decennia duidelijk dat hoewel de industrialisatie tijdelijk de materiële omstandigheden van een deel van de wereldbevolking heeft verbeterd, de collateral damage aan het menselijk biotoop quasi zeker zal leiden tot het instorten van de huidige samenleving: verbeesting inderdaad. Me dunkt dat Boon gelijk had toen hij met De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren volgens Kris Humbeeck concludeerde dat “de westerse mens de gevolgen van een verkeerd begrepen moderniteit helemaal [zal] moeten uitzweten”. De mensheid zal de kelk tot op de bodem leegdrinken, en de kelk zelf zal er ook aan gaan.
Een boek dat nog steeds schuurt
Ook al kan je twijfelen over methodologie en feiten, gevoelsmatig lijkt de epistemische waarde van Het jaar 1901 me daarom blijvend relevant: fabrieken braken nog steeds giftige lucht uit, van het produceren en consumeren van allerlei onnodig bezit wordt de mens niet noodzakelijk gelukkig, en de armen hebben het nog altijd minder goed dan de rijken. Dat is zo klaar als een klontje. In die optiek toont Boon zich weerom een uitstekend afgestelde sociale seismograaf, wiens boodschap 50 jaar na datum amper aan kracht heeft ingeboet – tenzij je je dus laat vangen door de mythe der vooruitgangsideologie, en de miserie van vandaag en morgen niet herkent in Het jaar 1901.
Voor sommige lezers is de stroom van verhalen uit het archief monotoon, maar mijns inziens schuilt hierin net de blijvende kracht van het boek: een monomane mokerslag die het falen van een systeem laat zien. Ook al heeft hij betere boeken geschreven, dit is weerom een aanrader, die bijdraagt aan de ongelofelijke diversiteit en durf van Louis Paul Boons oeuvre.
Het verzameld werk
Sinds 2005 is De Arbeiderspers samen met het L.P.-Booncentrum van de Universiteit Antwerpen bezig met een nieuwe uitgave van het verzameld werk in 24 delen, in betaalbare paperbacks, met telkens een uitgebreid “nawoord waarin aandacht wordt besteed aan het ontstaan van [de] tekst en de contemporaine kritische ontvangst ervan” – een nawoord waaruit ik hierboven heb geput voor de ontstaansgeschiedenis. In 2024 verscheen Het jaar 1901 in deel 19 van dat verzameld werk, samen met De Zwarte Hand uit 1976. Die uitgave is voorlopig nog verkrijgbaar op papier, en ook als e-book.
Tweedehandsexemplaren van Het jaar 1901 vind je vlot op Boekwinkeltjes.nl.
In de bib van Merksplas kan je vijftien boeken als e-boek downloaden.
Meer boekrecensies van Bart Borgmans vind je op Weighing A Pig