Heemkring Marcblas

Fanfare Sint-Willibrordus keert terug naar het Zwart Goor

Op zondag 27 september geeft fanfare Sint-Willibrordus een concert op het Zwart Goor. Dat gebeurt in het kader van het Verbeeckjaar, waarbij Martin Verbeeck in de schijnwerpers wordt geplaatst.

Als brouwerszoon uit Dessel bouwde die een carrière uit als grootindustrieel in de wereld. In Amerika noemde men hem de “Cementkoning”. Van 1922 tot 1936 woonden hij en zijn familie in hun zomerverblijf op het Zwart Goor. In 1926 liet hij een tiental cementrustieke ornamenten oprichten in het Zwart Goor. De ingangspoort in de Torendreef is na een eeuw nog steeds het visitekaartje van domein Zwart Goor.

Een traditie van dankconcerten

Zowel Martin Verbeeck als zijn vrouw Maria Senden stonden bekend als sociaal voelende mensen. Dat was zo voor de werklieden in zijn fabrieken, alsook voor de meiden en knechten op zijn boerderij op het Zwart Goor, als voor het huispersoneel. Maar ook verschillende verenigingen kregen jaarlijks een financieel duwtje. Voor Merksplas denken we aan het Bremtakje, het Missiekranske, de Burgers- en Middenstandsjeugd, fanfare De Kunstvrienden en fanfare Sint-Willibrordus (SW). Aanvankelijk kreeg SW jaarlijks 300 fr. en vanaf 1924 werd dat 400 fr. Als dank voor die jaarlijkse gift benoemde men Martin Verbeeck tot erevoorzitter. En ook als dank trok de fanfare elk jaar naar het Zwart Goor om er een dankconcert te geven.

Op basis van verslagen in de kranten en in de SW-verslagboeken weten we precies hoe zo’n dag verliep. Op de afgesproken dag (meestal in juli) verzamelden de muzikanten aan het lokaal. Na het tromgeroffel stelden ze zich op en verlieten al spelend het dorp, gevolgd door het bestuur en de ereleden van de maatschappij. We lezen: “krachtig, zwierig en vrolijk toog de machtige stoet door het dorp”. Buiten het dorp was het eerder wandelen dan wel marcheren.

Op naar de riante woning

“Aan de kunstpoort, de ingang naar het Hof” stelde men zich weer op. Met een vrolijk muziekstuk, bijvoorbeeld “De Jubelmars”, marcheerde men dan, met de vlag op kop, naar de riante woning van de familie Verbeeck. Met een stevige handdruk begroetten de bestuursleden de heer en mevrouw Verbeeck. De familie zat trouwens al klaar voor hun woning. De muzikanten zochten beschutting in de schaduw van de grote loverbomen.

Daarna was het de beurt aan de vertegenwoordiger van de fanfare om toe te lichten waarom de fanfare naar het Zwart Goor kwam. In 1920 nam voorzitter August Luyckx het woord (hij was ook afkomstig van Dessel), in 1922 ondervoorzitter burgemeester Embrechts, in 1927 Karel Druyts en nadien burgemeester Jaak Mertens.

Het concert bestond uit twee delen. Telkens speelde een vijftal muziekstukken. Deze uitvoeringen wisselden af met pianospel door mevrouw Verbeeck, of met de kinderen van Verbeeck, die gedichtjes voordroegen. Zo maakte “het Grommelpotje” van de kleine Paul Verbeeck best wel indruk bij de aanwezigen.

Muziek, bier, sigaren en bewondering

In de pauze tussen de twee concertdelen konden de aanwezigen de nieuwe technieken in de boerderij bewonderen. Zo keek men vol bewondering naar de zware dekhengst “Albion de Soignies” en de grote vette roodbonte stier uit het Land van Cuijck. Ook de moderne inrichting van de koeienstal, de nieuwe vruchten in de moestuin, de prachtige bloemen in de serre of in de bloemenperken “dwongen eenieders bewondering af”.

Albion d’Hor, de vader van Albion de Soignies. (foto: wikipedia)

Degenen die bleven zitten, hadden er ook geen spijt van, want de meiden zorgden ervoor dat “geen enkel bierglas leeg bleef. Sigaren werden mild uitgedeeld en gesmaakt.”

Voor de aanvang van het tweede concertdeel nam meestal nog iemand van de fanfare het woord om te danken voor de ontvangst en voor de steun aan de muziekvereniging. In 1922 verwoordde burgemeester Embrechts het zo: “Gij, mijnheer Verbeeck, zijt een machtige steun voor onze maatschappij. Onze hartelijke dank daarvoor”. Als laatste muziekstuk speelde men “De Vlaamse Leeuw” of de “Brabançonne”. Daarna dankte Martin Verbeeck de fanfare voor het optreden. Elk jaar zei hij dat hij jaarlijks een verbetering zag en hoorde. Hij sprak de hoop uit dat ze elk jaar zouden terugkomen …

Het einde van een tijdperk

In 1931 benoemde men Martin Verbeeck tot Belgisch Ridder in de Leopoldsorde. Vanuit fanfare Sint-Willibrordus stuurde men bijzondere felicitaties aan de heer Verbeeck.

Vanaf 1932 mocht fanfare SW de term “Koninklijk” toevoegen aan zijn naam. Nu was het de beurt aan Martin Verbeeck om de “Koninklijke Fanfare Sint-Willibrordus” te feliciteren.

Op 26 augustus 1936 nodigde Martin Verbeeck het SW-bestuur uit om eens naar het Zwart Goor te komen. Zij werden “gulhartig ontvangen met bier en sigaren”, hoewel de boodschap niet zo vrolijk was: Verbeeck deelde mee dat hij en zijn familie definitief moesten vertrekken uit het Zwart Goor. Of hij toen ook vertelde dat al zijn fabrieken en zijn eigendommen werden meegezogen in het wereldwijde faillissement van de banken, is niet bekend. Hij vertelde wel dat hij altijd heel graag in Merksplas had gewoond. Verbeeck moedigde de fanfare aan om in vrede en in goede verstandhouding verder te blijven werken. Hij beloofde ook dat de muziekvereniging vanaf 1937 voortaan een jaarlijkse gift zou krijgen van 1000 frank. De SW-voorzitter kon natuurlijk niet anders dan Martin Verbeeck hartelijk te danken voor de vele jaren van samenwerking.

Reageer

Back to top button